Sporen van slavernij overzee en in de regio. Lezing Jacques Moerman

Slavernij is actueel in Nederland door het recente onderzoek naar de rol van het Huis van Oranje-Nassau, dat meer dan een half miljard verdiende aan de slavenhandel.   Door een wonderlijk toeval sloot de al langer geplande de lezing van Jacques Moerman op 6 oktober in de Hoornbloem, den Hoorn, uitstekend aan bij deze actualiteit.

Moerman is een uitstekend verteller en wist de 140 toehoorders ademloos te boeien met een overweldigende reeks feiten over de omvang van de Nederlandse slavenhandel in de Oost en de West.        De lezing werd geïllustreerd met dia’s van de talloze reizen van Moerman langs de koloniale sporen van de Nederlanden vanaf de 16de eeuw.

In zijn lezing gebruikte Moerman de begrippen slaaf en slaafgemaakte door elkaar. Bij slaaf denken wij doorgaans aan Afrikanen maar er zijn ook blanke slaven geweest. “Er zijn bijvoorbeeld door kapers op de Middellandse zee 1 á 1,2 miljoen Nederlanders gevangengenomen als zogenoemde christenslaven’’, zei Moerman. “Ik heb in de kerkarchieven gezien dat er collectes werden gehouden om gevangengenomen slaven vrij te kopen.’’

Fort Elmina

In de kerkarchieven zijn ook andere sporen van slavernij te vinden. ,,De predikant van      ’t Woudt, Meinardus Ruysch (1745-1780) bezat VOC kapitaal en alsook twee panden in Delft’’,  wist Moerman. De slavenhandel richtte zich op de Oost en de West. ,,Vanaf 1637 was het fort Elmina in het huidige Ghana in Nederlandse handen.  De gouverneur-generaal van Nederlands Brazilië Johan Maurits van Nassau stimuleerde de slavenhandel’’, zei Moerman terwijl hij een afbeelding liet zien van de slavenverblijven onder de kerk in fort Elmina. Daarmee illustreerde hij dat voor de Nederlanders geloof en geld prima samengingen.

Vanuit Elmina voeren de slavenschepen naar de West. Moerman wist ook de wijze waarop deze mensen tot slaaf waren gemaakt. “35% was krijgsgevangen gemaakt, 30 % gekidnapt en 10% veroordeeld. Het was ruilhandel. De Nederlanders betaalden doorgaans met gekleurde lappen stof uit India. Tot 1872 bleef Nederland bezittingen behouden in Zuid-Afrika. Bizar feit is dat de zwarte dominee Johannes Capitein promoveerde op een proefschrift dat goedkeuring verleende aan de slavernij.                 Een bekend fort uit de slavenhandel is Goré bij Dakar in Senegal.

Zeeuwse predikanten

In totaal vervoerde Nederland 600.000 slaven naar de West, ongeveer 5% van het totale aantal slaven op deze route. 14% van hen overleed onderweg. Zeeland had een belangrijk aandeel in deze slavenhandel. Zeeuwse predikanten gingen zover om de handel in slavernij met kinderen goed te keuren. De periode 1680-1695 was een toptijd in de handel. De werkomstandigheden op de plantages waren slecht. Vooral de raffinage van suikerriet door middel van een rad maakte veel slachtoffers.

In 1667 kreeg Nederland het gezag over Suriname door het te ruilen met Nieuw Amsterdam.  Het bracht een nieuwe fase in de slavernij. Vanaf 1800 vond er een sterke groei van het aantal plantages in Suriname plaats. Sommige plantages hadden eigen zwarte orkestjes voor het opluisteren van feestjes van de slaven. Het leven op de plantages was echter verre van feestelijk. Op diefstal en weglopen stonden strenge straffen.

Keenenburg

Een van de laatste eigenaren van Keenenburg, Willem Hendrik van Steenberch, is rijk geworden in Suriname. Daar bezat hij zeven plantages. Hij vervoerde minstens 44 slaven vanuit Afrika, waarvan er drie op Keenenburg kwamen werken.  Een van hen, Hendrik de Kock werkte in de keuken. Ook op de Leeuwenwoning in Maasland werkten waarschijnlijk drie zwarte bedienden. In 1863 werd de slavernij afgeschaft. De eigenaren kregen 300 gulden compensatie per slaaf. De slaven waren verplicht nog tien jaar zonder beloning door te werken.

Curacao was een belangrijke doorvoerhaven voor slaven naar Noord-Amerika. 90.000 slaven maakten deze reis. Van 2500 inwoners van nieuw Amsterdam was 20% tot slaaf gemaakt. Nog tot in de 19de eeuw was er in New York Niger Dutch te horen.

Minder bekend is de slavenhandel op Nederlands-Indië. De VOC vervoerde 600.000 slaafgemaakten naar de Oost. Ook op Kaap de Goede Hoop, Madagaskar, Zanzibar, Zuid-India en Sri Lanka zijn sporen te vinden van de Nederlandse koloniale aanwezigheid. In de Oost had iedere Europeaan gemiddeld drie slaven. Na afloop van een tijdelijk VOC-contract kon de eigenaar van de slaven deze verkopen aan de volgende contractant. De raciale ongelijkheid in Oost-Indië was groot. Bij zwembaden stond vaak een bordje: “verboden voor inlanders en honden”.

 

Westlands verzet en de plannen tot staatsgreep

Tijdens een zeer drukbezochte bijeenkomst in de Domkerk in De Lier is het Historisch Jaarboek 2026 van het Genootschap Oud Westland gepresenteerd. Het eerste exemplaar werd door redactievoorzitter Leo van den Ende gepresenteerd aan de familie van verzetsstrijder Bram Naeije uit De Lier.

In het jaarboek is een prominente plaats ingeruimd voor een artikel van Kees Riezebos over de poging van voormalig minister-president Gerbrandy om het Westlandse verzet te betrekken bij een staatsgreep tegen het Indiëbeleid van de Nederlandse regering. Gerbrandy benaderde daarvoor de Lierse verzetsman Bram Naeije.

Voorzitter Jan Maat memoreerde in zijn openingswoord dat het Jaarboek 2026 het laatste exemplaar is dat onder redactievoorzitterschap van Leo van den Ende is verschenen. Onder zijn voorzitterschap zijn 19 nummers verschenen. Jan Maat kondigde aan dat het Genootschap Leo op de algemene ledenvergadering in 2027 wil voordragen voor als erelid van het Genootschap.

Het jaarboek 2026 is de 39ste editie van dit boekwerk dat een begrip is geworden in historisch Westland. Leo is vanaf de begintijd van het jaarboek actief geweest. ,,Ik bleef ergens lang als ik het werk leuk vind’’, zei Leo, die veertig jaar bij het Ministerie van Financiën werkte. Ook was hij twintig jaar penningmeester van het Westlandse Museum. ,,Nu is het tijd voor andere leuke dingen. Ik wil archiefonderzoek doen en artikelen schrijven’’.

Indiëbeleid

Kees Riezebos hield een boeiende lezing over het verzet tegen het Indiëbeleid van de Nederlandse regering. Dit beleid kreeg vorm in het Comité Rijkseenheid, dat in het Westland veel aanhang kreeg en georganiseerd was in lokale afdelingen. Onderwijzer Bram Naeije (1908-1981) was een van de drijvende krachten achter de Lierse afdeling van dit comité. Hij kwam in 1931 als jonge onderwijzer in De Lier wonen en bleef dit tot zijn verhuizing naar Ermelo in 1950.

,,Meester Naeije was voor veel ouderen in De Lier een begrip’’, zei Kees Riezebos. Hij verwierf als jongeman snel een plaats in de samenleving. Hij leerde in de zogenoemde Burgerwacht, een in 1918 opgerichte ordedienst, veel mensen kennen waaronder de latere verzetsman Tinus Vermeer.  Nadat de Burgerwacht in 1940 door de bezetter was opgeheven sloot Naeije zich in 1941 aan bij de Ordedienst, die zou gaan optreden na de nederlaag van de bezetter.

Naeije raakte in de loop van 1942 betrokken bij het verzet. Vanaf 1943 ging hij plekken voor onderduikers regelen verspreid over het hele land. Naeije was op de achtergrond betrokken bij de overval op het Lierse gemeentehuis en had contact met de Knokploeg van Piet Doelman. Na een verhoor door de Grüne Polizei werd de grond hem zo heet onder de voeten, dat hij besloot onder te duiken.

Vlak voor de bevrijding werd Naeije samen met Piet Doelman aangehouden in het bezit van een vals persoonsbewijs op naam van Willemse. Hij werd overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen en zou samen met Doelman op 7 mei geëxecuteerd worden. Het Westlandse verzet wist beiden die dag met ‘list en vernuft’’ te bevrijden. ‘ Er zijn veel verhalen over dit voorval maar die gaan nauwelijks over Naeije maar allemaal over Piet Doelman’’, wist Kees Riezebos.  “Voor zijn vrouw Dien en de kinderen was het die dag angstig afwachten maar Bram kwam uiteindelijk mager terug.’’

Comité Rijkseenheid

Na de oorlog bleef Bram Naeije maatschappelijk actief. Op 3 januari 1947 werd in De Lier in overleg met de ARP, CHU en liberale Partij voor de Vrijheid (1946-1948) een lokaal comité Rijkseenheid opgericht. In totaal zetten 1390 van 1670 kiesgerechtigde Lierenaren een handtekening. De gereformeerde Naeye onderhield het contact met Gerbrandy. Een bevlogen oproep om naar een bijeenkomst in de CWSS te komen leidde tot een opkomst van 4000 man.

Het verhaal dat het comité Rijkseenheid een staatsgreep wilde plegen is door gerenommeerde historici als Lou de Jong en Cees Fasseur in twijfel getrokken. Sietze van der Zee schrijft echter in zijn boek over de politieman François van ’t Sant, een vertrouweling van Koningin Wilhelmina over het plan om het verzet uit het Westland bij een staatsgreep te betrekken. Hazelhof Roelsema en Gerbrandy zouden om steun van de Koningin hebben gevraagd.

Staatsgreep

Een brief van Dien Naeije uit 1985 na de dood van haar man bevestigt het verhaal. Dien schrijft dat Gerbrandy haar man had gepolst en dat deze bedenktijd had gevraagd. Hij zou met het verzoek in zijn maag hebben gezeten. Uiteindelijk ging de staatsgreep niet door omdat het plan uitlekte.

De inhoud van het jaarboek is gevarieerd. Het bevat boeiende artikelen over de nog jonge geschiedenis van het bedrijf Koppert Cress in Monster, de bijzondere geschiedenis van het dorp Maasdijk, de Westlandse Handels Tentoonstelling (WéHaTé), de activiteiten van de Landwacht in het Westland tijdens de Tweede Wereldoorlog, de eerste WSM-stations en de eerste openluchtvoorstellingen in de Westlandse dorpen. De archeologische kroniek, de bibliografie van in 2025 verschenen boeken over het Westland en het jaarverslag over 2025 van het genootschap maken het jaarboek compleet.

Foto’s Willem de Bruijn

 

Excursie klooster Catharinadal Oosterhout

De Brabantse plaats Oosterhout staat bekend om zijn rijk kloosterleven. Op korte afstand van het stadscentrum bevindt zich de zogenoemde Heilige Driehoek, bestaande uit drie grote, oude kloostercomplexen.

Op zaterdag 13 juni bezocht een groep van 25 leden van het Genootschap Oud-Westland en 25 leden van Groei en Bloei een van deze kloosters, Catharinadal van de zusters Norbertinessen. Deze in de Middeleeuwen door de heilige Norbertus van Gennep opgerichte orde bewoont sinds 1647 in het Catharinadal in Oosterhout het slot de Blauwe Camer.

In de tijd van het rijke Roomse leven woonden er wel zestig zusters in het klooster. Daarvan zijn er slechts weinigen overgebleven. Onder hen zuster Norberta uit Wateringen en een zuster uit ’s-Gravenzande. Tijdens de rondleiding door de authentieke kamers van het klooster ontstond een beeld van het monastieke leven. Aan de muur hingen eeuwen oude schilderijen met Bijbelse afbeeldingen van Zuidnederlandse schilders.

In de ontvangstzaal van de prior hangt onder meer een schilderij van Machteld van Polanen, de moeder van Joanna en Engelbert van Nassau. Ze trad in het klooster in 1454 en stierf in 1484. Dit schilderij werd in 1600 gemaakt.  Daarnaast werd door kleuren weergegeven waar de ruimtes van de nonnen en die van de prior waren. De blauwe deuren geven aan dat daar ruimtes zijn voor de prior en achter de rode deuren huizen de nonnen.

 

 

Tralies en zwijgplicht

Lang leefden de zusters achter de tralies in afzondering van de maatschappij. Daarin is sinds het Tweede Vaticaans concilie in de jaren zestig verandering gekomen. De traditionele zwijgplicht werd afgeschaft en de zusters kregen meer contact met de maatschappij. Tijdens de koffie in de recreatieruimte was er gelegenheid om een praatje te maken met de zusters.

De kloosters beschikten over veel landerijen en haalden hun inkomsten grotendeels uit de landbouw. Om in de toekomst over de nodige inkomsten te beschikken begonnen de zusters in de 2014 een wijngaard. Vier jaar later werd de eerste wijn gepresenteerd van de 7,5 hectare druiven.  In 2023 werden nog een 2,5 hectare aangeplant zodat 10 hectare rondom het klooster nu beplant zijn.

De gemiddelde oogst levert gemiddeld 40.000 flessen en het aantal kan nog toenemen tot 53.000 als ook de nieuw geplante wijnstokken vrucht gaan dragen. De wijn kan worden geproefd en wordt geschonken in het op het domein gelegen wijnhuis en is te koop in de kloosterwinkel. De wijn en het klooster zijn beide genoemd naar de heilige Catharina van Alexandrië.

Rad van Catherina

Catharina was de dochter van de gouverneur van Alexandrië en staat bekend als een ontwikkelde vrouw. Zij was vertrouwd met de geschriften van de Griekse wijsgeer Plato. Catharina bekeerde zich rond het jaar 300 tot het christendom en wilde een maagdelijk leven leiden. Zij ging dan ook niet op de avances van Romeinse keizer Maxentius. Deze besloot daarop Catharina te martelen op een groot rad maar de bliksem sloeg het rad stuk. Daarop liet de keizer haar in 307 onthoofden. In het wijnhuis hangt het gebroken rad, waarop volgends de legende keizer Maxentius  de Heilige Catharina van Alexandrië probeerde te martelen.

 

Lang geen gehoor voor oorlog in Nederlands-Indië

‘’Ik moest lichaamsdelen bij elkaar rapen’’

Lang geen gehoor voor oorlog in Nederlands-Indië

 

Het einde van de koloniale aanwezigheid van Nederland in Indië is voor veel mensen nog steeds onverwerkt verleden. Dat bleek op woensdag 15 april opnieuw tijdens een door het Genootschap Oud Westland georganiseerde lezing van dr. Adri van Vliet in de Lier over “Westlandse militairen in Nederlands-Indië en de contacten met het thuisfront’’. Het aantal aanwezigen liep tegen de 160.

Een 98-jarige veteraan uit De Lier getuigde over zijn thuiskomst na enkele jaren vechten in Indië. “Het was feest maar ik huilde van binnen’’, zei de man. “Ik heb zaken meegemaakt waarover ik niet wil uitweiden’’.  Even later liet hij een tipje van sluier zien. “Vlak voor mijn terugkeer heb ik nog de lichaamsdelen van een gesneuvelde militair bij elkaar moeten rapen’’, zei de man.  Bij terugkeer in Nederland was er geen gehoor voor deze oorlogservaringen.

Adri van Vliet, die op het instituut voor militaire geschiedenis werkte, wees erop dat defensie van deze ervaringen heeft geleerd. Post-traumatische stress was na de oorlog nog een onbekend woord. Inmiddels worden militairen na vredesmissies in buitenland veel meer begeleid bij hun terugkeer naar Nederland. Zo nodig krijgen zij gesprekken met een psycholoog.

Bersiap

Meteen na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond er een machtsvacuüm in Nederlands-Indië. Indonesische nationalisten probeerden in de zogenoemde Bersiap de macht naar zich toe te trekken. Er er had een afrekening plaats, waarvan niet alleen Nederlanders en Indonesische Nederlanders maar ook veel etnische Chinezen het slachtoffer werden. “Minstens 3500 mensen werden vermoord maar mogelijk bedraagt het dodental ook 30.000 inwoners van onze voormalige kolonie’’, wist Van Vliet.

De Nederlandse staat besloot een leger naar Indië te sturen om de orde te herstellen. In januari 1946 vetrokken de eerste 15.000 vrijwilligers waaronder enkele Westlanders voor wat eufemistisch een politionele actie werd genoemd. Nederland was nog niet toe aan het verlies van de kolonie. “Het nationaal comité rijkseenheid hield in 1946 en 1947 overal in het Westland themabijeenkomsten’’ zei van Vliet. “Het comité had veel leden in het Westland. De voorstanders van een terugkeer naar de koloniale tijd domineerden’’.

Aangezien er te weinig vrijwilligers waren, besloot de regering dienstplichtigen op te roepen. Uiteindelijk verbleven 200.000 jonge mannen twee jaar of langer in Indië. Dienstweigeraars werden met 2 à 5 jaar opsluiting gestraft. In Indië werden weigeraars van dienstopdrachten, ook al waren dit oorlogsmisdaden, teruggestuurd naar Nederland en daar opgesloten. Vanaf september 1946 vertrok de speciaal gevormde Expeditionaire Macht waaronder veel Westlandse militairen naar de Oost. In oktober werd het akkoord van Linggadjati, een wapenstilstand, gesloten.

Politionele acties

Het zwijgen van de wapens was echter van korte duur. In juli 1947 startte operatie Product. Op 2 augustus sneuvelde de eerste Westlander op Java. Nederland moest echter onder internationale druk de actie staken. Hetzelfde lot was een tweede actie beschoren. In december 1948 en januari 1949 vond operatie Kraai plaats. Heel Java kwam onder Nederlandse controle. Het militaire succes kon echter niet verzilverd worden omdat de VS en Engeland kozen voor de republiek.

De verliezen namen in de loop van de oorlog echter toe van 34 naar 155 personen per maand. Het aantal omgekomen Westlandse militairen bedraagt minimaal19 maar ligt waarschijnlijk hoger. Als er een militair sneuvelde kwamen de burgemeester en al naar gelang de gezindte de dominee of de pastoor het slechte nieuws brengen. In een aantal Westlandse plaatsen zoals ’s Gravenzande en Monster staan de namen van de gesneuvelden op de oorlogsmonumenten.

Thuisfront

Het contact van de militairen met familie en vrienden liep in georganiseerd verband. Het Katholieke Thuisfront in Monster verzorgde het contact met 47 militairen. In Poeldijk waren het er 70 en in gereformeerd De Lier 37. De regering stimuleerde het schrijven van brieven echter niet. Deze vielen onder de censuur en de militairen schreven nauwelijks over de oorlogshandelingen. Zij wilden hun familie thuis niet ongerust maken. Soms stuurde de familie hun zoon en broer een zogenoemd ‘’Groetenplaatje’’ met een ingesproken boodschap.

Het laatste jaar van de oorlog in Indië werd gekenmerkt door een patstelling. Het Nederlandse leger slaagde er niet in om de guerrilla onder controle te krijgen. Uiteindelijk vond op 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht plaats. Het duurt echter een half jaar voor alle militairen weer thuis zijn. De thuiskomst was feestelijk maar de militairen konden niet praten over hun traumatische ervaringen. Teruggekeerd was hun eerste taak te zorgen voor huisvesting en brood op de plank. Pas in de jaren tachtig kwam er meer belangstelling voor de politionele acties en was er op 4 mei aandacht voor de in Indië omgekomen militairen.

Schiedam van stadsrechten tot jeneverstad

Het straatbeeld van Schiedam wordt nog steeds bepaald door haar verleden als jeneverstad. Toch gaat de oorsprong van de stad terug tot de 13de eeuw. De boeiende geschiedenis van Schiedam was op 17 februari 2026 onderwerp van een lezing door dr. Jan Willem Verkaik. De lezing in Bij Barth in Poeldijk werd bijgewoond door 95 leden van het Genootschap Oud Westland en andere belangstellenden.

Schiedam dankt zijn naam als jeneverstad aan de 18 eeuw toen de Schiedammers erachter kwamen dat aan jenever meer te verdienen was dan aan de traditionele haringvisserij. Het stoken van de jenever was zo succesvol dat in die tijd tachtig procent van alle wereldwijd gedronken jenever uit Schiedam kwam. ,,Aan de rand van de binnenstad werden veel graanmolens gebouwd voor de jenever’’, vertelde Verkaik. ,,Daarvan zijn er nog steeds vijf van over’’.

Piet Paaltjes

De jenever bracht niet alleen goud naar de stad. ,,In de 19de eeuw kende Schiedam volksbuurten met veel sociale ellende en drankmisbruik’’, vertelde Verkaik. ,,De Schiedamse predikant Francois Haverschmidt, beter bekend als de dichter Piet Paaltjes, werd somber van al deze ellende. Hij pleegde uiteindelijk zelfmoord’’.  De binnenstad herinnert echter meer aan de jenever dan aan de bekende predikant. Overal in de stad zijn oude branderijen te zien waarin achter de ramen distileer ketels stonden. Het graan werd gekocht in de korenbeurs, thans stadsbibliotheek.

De jenever doet soms vergeten dat Schiedam een ouder verleden heeft, dat teruggaat naar de Romeinse tijd. Op landkaarten uit die tijd zijn al uit klei gemaakte duikers te zien. Daarnaast werden dijken en terpen aangelegd. Het plaatsje Kethel ligt op zo’n terp.  De waterkeringen boden echter weinig bescherming tegen een stormvloed in de 12de  eeuw. ,,In Schiedam is nog een schedel aangetroffen van een slachtoffer uit die tijd’’, wist Verkaik. ,,Op de strandwal langs de Maas werd van Vlaardingen tot Overschie een  dijk aangelegd.’’

Aleida

De stichting van Schiedam gaat terug op Aleida (1228-1284). Zij was een dochter van graaf Floris IV van Holland en zus van de latere Rooms koning, graaf Willem II. Haar vader had geen geld om een bruidsschat mee te geven voor haar huwelijk in 1246 met Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen. In plaats daarvan gaf hij Aleida een stuk grond bij Schiedam.  Toen haar broer tijdens de veldtocht tegen de Westfriezen in 1256 sneuvelde bij Hoogwoud, werd Aleida voogd van diens zoon, Floris V en trok met hem in op de Binnenhof in Den Haag. Een voorgenomen huwelijk van de dochter van Floris V met een Engelse kroonprins ging niet door omdat deze prins op 11-jarige leeftijd overleed

Kasteel

In 1262 liet Aleida in Schiedam het kasteel Huis te Riviere bouwen. Bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog hebben de Schiedammers het kasteel zelf afgebroken.  Verkaik liet beelden zien van de restanten van het kasteel bevindend naast het huidige stadskantoor aan de Broersvest. Naast dit kasteel heeft Aleida ook nog de opdracht gegeven tot bouw van een kerk en een gasthuis. Verder bevorderde zij de economische groei van Schiedam door het recht te verlenen om een weekmarkt en een jaarmarkt te houden. In 1275 gaf zij, met toestemming van haar neef graaf Floris V, stadsrechten aan Schiedam. Aleida overleed in 1284 in Dordrecht. Ze is begraven in het Franse Valenciennes, naast haar man Jan van Avesnes.