Goudse glazen en de opstand tegen Spanje

Gouda is behalve om de Goudse kaas bekend om de glazen van de Sint Janskerk op de Markt. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de glazen ramen van de langste kerk van Nederland centraal stonden in de rondleiding door het Goudse Gidsen Gilde.

De excursie startte met koffie en gebak op het terras van de uitspanning Gouds Glas op de Markt in Gouda. Gids Evalien ging uitvoerig in op de geschiedenis van de stad Gouda waarop de kerkhervorming van de 16de eeuw een sterk stempel heeft gedrukt. Voor die tijd telde de Goudse binnenstad een elftal kloosters, dat door de protestantse overheid in beslag werden genomen.  ,,Dat leverde voor de stad gratis, dure bouwgrond op voor uitbreiding’’, zei de gids.

Synagoge

In de Blauwstraat ging de tocht langs de voormalige synagoge, die na de oorlog werd verkocht aan de vrije evangelie gemeente.  Het aantal leden van de synagoge nam in de jaren dertig met meer dan het dubbele toe door de komst van Joodse vluchtelingen uit Duitsland, die dachten dat zij in Nederland veilig waren. Vierhonderd Goudse Joden overleefden de oorlog niet.

Door de smalle Looierssteeg van zeventig centimeter breed ging het richting Markt, waar gids Evalien uitleg gaf over het carillon. Tijdens het spelen van het carillon gaat op het stadhuis een deurtje open en verschijnt graaf Floris V, die Gouda in 1272 stadsrechten gaf. ,,Daardoor werd de stad bevoegd om recht te spreken en bestond er zekerheid over het recht van eigendom’’, zei de gids.

Brand

De Sint-Janskerk is in de 1350 gebouwd als katholieke kerk en werd in 1572 door de Calvinisten overgenomen en geschikt gemaakt voor hun eredienst. De reformatie had in Gouda echter een mild karakter. Daardoor zijn er 7 van de 42 altaarstukken van de gilden bewaard gebleven. Zij bevinden zich thans in het museum. Ook lieten de Calvinisten de glas in lood ramen met Bijbelse taferelen zitten. Die ramen waren trouwens in 1552 verwoest tijdens een grote brand, die de hele stad grotendeels in as legde. Een aantal ramen is destijds overigens hersteld aan de hand van originele ontwerptekening van de glazenier.  

De ramen geven een mooi beeld van de Nederlandse geschiedenis in de 16 de eeuw. Een raam uit de katholieke tijd toont een Maria, die wordt geraakt door een gouden straal uit de hemel met een duif. Het raam duidt erop dat Maria een zoon zal baren van de Heilige Geest. Dit raam werd bij de grote brand van 1552 verwoest maar is hersteld. Het raam bevat de wapens van het stadsbestuur, dat de restauratie bekostigde. Een raam uit 1556 is betaal door Philips II. Afgebeeld zijn het beeld van de vorst en zijn vrouw Mary Stuart. Op een ander raam staat de landvoogdes Margaretha van Parma. Een raam in opdracht van Willem van Oranje is betaald door de gemeenteraad omdat Willem door alle oorlogsinspanningen de beurs niet meer kon trekken.

Wederdoper

Gouda was een tolerante stad omdat het stadsbestuur kettervervolgingen niet in het belang vond van de handel. Niettemin werd mede door de inspanningen van de pastoor en inquisiteur Jodocus Bourgeois in 1570 de wederdoper Faes Dircksz terecht gesteld. Hij werd begraven in ongewijde aarde. Een jaar stierf de pastoor en werd begraven in de Sint Janskerk. Toen een jaar later de Calvinisten aan de macht kwamen, werd het graf van de pastoor geopend om Faes Dircksz her te begraven. Het huis van de pastoor ging naar de weduwe van de ketter om in haar levensonderhoud te voorzien.

Westlandse kastelen en hun adellijke families

De stoelen moesten worden bijgesleept tijdens de lezing van streekhistoricus Harry Groenewegen uit Naaldwijk op 19 april in het zalencentrum Hemelsblauw te Honselersdijk. De zaal was tijdens de lezing over ‘Westlandse kastelen en hun adellijke families’ met 140 bezoekers tot de laatste plaats gevuld.

Groenewegen omschreef eerst de grenzen van het Middeleeuwse gebied Westland en definieerde het begrip ‘kasteel’. Een kasteel moet aan twee criteria voldoen. Het moet door een gracht omringd worden én het moet verdedigbaar zijn. Een stenenkamer, zoals Madestein en de Vlietwoning vallen daarom buiten deze omschrijving.

Op basis van deze definitie en de geografische begrenzing concludeerde Groenewegen dat in het Westland tussen 1000 en 1600 zeventig kastelen gestaan hebben. De kastelen zijn voornamelijk te vinden op de zandgronden en in de veengebieden op klei. Hun precieze locatie is doorgaans te achterhalen door bestudering van diverse kaarten.

Prenten

Op acht Westlandse kastelen werd dieper ingegaan. Groenewegen gaf aan de hand van kaarten weer waar ze gelegen hebben en met behulp van prenten hoe ze eruit gezien hebben. Zo blijkt dat Honselersdijk een motte kasteel was en dat het kasteel op de Hoge Woerd een oprijlaan met duiventoren kende. Een mottekasteel is een hoogmiddeleeuws, veelal torenvormige versterking op een motte, een afgeplatte aangelegde aarden heuvel.

Het kasteel Polanen in Monster aan de Madeweg kende een roerige geschiedenis. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd het twee keer beschadigd en zelfs verwoest. Keenenburg te Schipluiden, gebouwd door Philips de Blote, had een hoofdburcht, voorburcht en een keukentuin op de voorburcht. Honselersdijk bestond ook uit een hoofdburcht met een keukentuin en voorburcht.

Vechten en feesten

Groenewegen sprak uitvoerig over de levenswijze van de adellijke families. Naast het bestieren van het land en vechten hielden ze zich ook bezig met het houden van feesten, vissen in de gracht, ’s winters schaatsen op de gracht. Daarnaast lieten rijke families, zoals leden van de familie van Naaldwijk, zich portretteren. Kopieën van deze portretten zijn te zien in het koor van de Oude kerk in Naaldwijk. Ze gaven ook geld aan kerk en kloosters.

Deze families brachten niet al hun tijd door op het kasteel. Regelmatig waren ze te vinden in de stad o.a. in Delft, Den Haag en Leiden. De Heren van Naaldwijk hadden een stadskasteel aan de Kneuterdijk te Den Haag. Het vermoeden bestaat dat zij ook een woning bezaten aan het huidige Wilhelminaplein te Naaldwijk.

De lezing heeft de toehoorders extra nieuwsgierig gemaakt naar het boek over Westlandse kastelen dat eind 2024 zal uitkomen.

Gouda 750 jaar kloppend hart van Nederland

Onder het motto ‘’Gouda 750 jaar kloppend hart van Nederland’’ vierde de kaarsenstad vorig jaar dat zij in het jaar 1272 van graaf Floris V stadsrechten kreeg. De Goudse stadshistoricus Dr. Paul Abels gaf op 14 februari een lezing over het verleden van Gouda. De excursie van het Genootschap Oud Westland gaat dit jaar naar deze stad.

Voor het verkrijgen van de stadsrechter was er al bewoning op de plek van het huidige Gouda. Rond 1150 lag er een motte-kasteel in een ontoegankelijk laag gelegen landschap. ,,Heel Holland zakt maar Gouda zakt harder’’, grapte Abels over het leven meters beneden het NAP.  In 1272 gaf De Hollandse graaf Floris V Gouda stadsrechten.  Rond 1350 had Gouda een stadsmuur en waren de Sint Janskerk en een kasteel in aanbouw.

De lezing van Abels was opgebouwd rond zes bekende personen uit de Goudse geschiedenis ook wel bekend als de Goudse Giganten: Floris V, Jacoba van Beieren, Desiderius Erasmus, Anne Barbara van Meerten-Schilperoort, Leo Vroman en Abdella Laguuli. Floris V was in feite de stichter van de stad door het verlenen van de stadsrechten.

Jacoba-kelk

Jacoba van Beieren (1401-1436) bracht een deel van haar korte leven op het kasteel van Gouda door. Zij schonk in 1425 een gouden miskelk aan de gilden van Gouda. Deze kelk bevindt zich nu onder de naam Jacoba-kelk in het Gouds Museum. De loop van de straten in de Goudse binnenstad is nog steeds hetzelfde als in de tijd van Jacoba. In die tijd maakte de bierbrouwerij een bloeiperiode door. Door deze welvaart kon het stadhuis op de markt worden gebouwd.

De grote geleerde Erasmus is in Gouda verwekt maar in Rotterdam geboren. Hij leed zijn leven lang aan zijn smuikgeboorte, een aanduiding dat hij een buitenechtelijke zoon van een priester was. Daardoor had hij een speciale dispensatie van de paus nodig om aan een universiteit te mogen promoveren. Hoewel hij maar vier jaar van zijn leven in Rotterdam heeft gewoond staat hij toch bekend als Erasmus van Rotterdam en niet van Gouda.

Erasmus was in woelige tijden een man van het midden, die de kerk niet wilde scheuren maar bij elkaar houden.  Hij woonde zeven jaar in het klooster Stein bij Gouda. Wellicht is er door zijn invloed in Gouda nooit ruimte geweest voor scherpslijperij.

Geuzen

In Gouda is nooit een beeldenstorm geweest. Daardoor zijn de altaarstukken van de gilden op tijd weggehaald en bewaard gebleven. Zij bevinden zich thans in het museum. In 1572 gaf Gouda zich over aan de geuzen en zei de koning van Spanje vaarwel. Door beslissing is de stad zo goed bewaard gebleven. Het stadsbestuur in Gouda heeft ter plaatse enorme controle op de reformatie uitgeoefend.

De protestanten aldaar stonden bekend als de Gouds gereformeerden. Zij wilden de Roomse inquisitie niet vervangen door een Geneefse. Dat betekende geen hoge eisen aan het avondmaal en geen invoering van de Heidelberger catechismus. Gouda kreeg een uit Groenlo afkomstige predikant, Herman Herbers, die een eigen catechismus opstelde: de Goudse catechismus. Deze heeft grote invloed gehad. Ook Dirk Coornhert, die vrijheid van geweten voorstond, woonde lang in het ketterse bolwerk Gouda.

Goudse vrijheid

Tijdens de synode van Gouda lag de sympathie van het stadsbestuur bij de remonstranten. Dat leidde ertoe dat de orthodoxe prins Maurits de zittende machthebbers van de kussens joeg en verving door rechtzinnigen. Dat bracht een einde aan de Goudse vrijheid.  De vrijzinnige geest bleef echter bestaan. In de 19de eeuw gaf Anna Barbara van Meerten Schilperoort het vrouwentijdschrift Penelope uit. Ook zette zij zich in voor de vrouwen in de gevangenis.

De tweede wereldoorlog betekende het einde voor de Joodse gemeenschap in Gouda. De bioloog en dichter Leo Vroman wist te ontkomen uit Nederland. Burgemeester James werd gevangen gezet in kamp Sint Michielsgestel. Na de oorlog hadden grote stadsuitbreidingen plaats. Door migratie kreeg Gouda vanaf de jaren zestig het grootste aantal Marokkaanse migranten van Nederland. Zij werkten doorgaans in de vlees verwerkende industrie en woonden in overbevolkte pensions. Abdella Laguuli staat bekend als de eerste Marokkaanse migrant, die in Gouda kwam werken.

De Lier bakermat voor gymnasium

De Lier heeft vijfhonderd jaar geleden twee geleerden van naam voortgebracht namelijk Hugo Blotius en Franco Petri Burgersdijk. De eerste bracht het tot bibliothecaris aan het Habsburgse hof in Wenen. Franco Burgersdijk werd hoogleraar filosofie aan de Leidse universiteit.

In de reformatietijd kwam de naam gymnasium in zwang voor het onderwijs in het Latijn.  De eerste docent die ooit te Straatsburg aan een gymnasium lesgaf,  is de uit De Lier afkomstige Blotius of in gewoon Nederlands De Bloote. Hij leidde een avontuurlijk leven in het Europa van de humanistische geleerden, de langste tijd als hofbibliothecaris van keizer.

 Op 14 december sprak de Amsterdamse classicus Diederik Burgersdijk over de twee geleerden, die verre voorouders van hem zijn. Ook ging hij in op de Latijnse cultuur in De Lier.  De bewoners van boerderijen in Burgersdijk, een buurtschap op de grens met Maasland, waren echter meer op dit dorp georiënteerd. Het is waarschijnlijk dat zij hier ook onderwijs in het Latijn hebben genoten. In 1215 bepaalde paus Innocentius III op het concilie van Lateranen dat iedere parochie in de katholieke kerk een Latijnse school moest hebben.

Bier van Sint Joris

In zijn lezing ging Burgersdijk uitvoerig in op plaatselijke omstandigheden en persoonlijkheden. Zo vertelde hij over pastoor Arend Dirkszoon, die zoveel sympathie voor de reformatie kreeg dat hij het Jorisbeeld van zijn kerk kapot sloeg. Hij stopte het hout van het beeld in een brouwketel met bier. Vervolgens dronk hij het bier op en zei dat het door Sint Joris zelf was gebrouwen. Uiteindelijk werd Vos op 70-jarige leeftijd vanwege zijn ketterij opgehangen in Den Haag.

Een andere groep, die de klassieke cultuur in De Lier hooghield waren de rederijkers, die zich bezig hielden met debatavonden en toneelstukken. De leden waren niet hoog opgeleid. De inschrijvingsformulieren bevatten een vraag naar de motivatie. Die luidt: ik wil beter leren schrijven en spreken. Pieter Vranckzn Burgerdijk viel bij de rederijkers in ongenade. Hij werd verantwoordelijk gehouden voor het doodsteken van de voorzitter. ,,Het gebeurde hier buiten op de stoep’’, zei Diederik Burgersdijk. Het resultaat was dat zijn voorganger uit De Lier naar Rijswijk vertrok.

Straatsburg

Hugo Blotius en Franco Petri Burgersdijk waren intellectuele zwaargewichten. Voor Blotius was het Westland te klein. Hij trok de wereld in en studeerde o.a. in Orleans. Hij kreeg een uitnodiging om in Straatsburg rhetorica te onderwijzen aan het door de reformator Jean Sturm opgerichte gymnasium, waar hij de eerste Nederlandse docent werd.

Zijn goede naam trok in 1575 de aandacht van de Oostenrijkse keizer Maximiliaan II, die hem benoemde tot eerste hofbibiothecaris. Blotius herstelde het dak van het klooster met de bibliotheek, plaatste een kachel en zette een uitleensysteem op zodat de boeken niet meer zoek raakten. Onder de volgende keizer Rudolf II (1576-1612) werd een meer katholiek beleid gevoerd. De gematigde Calvinist werd echter geen strobreed in de weg gelegd en Blotius bleef tot zijn dood in 1608 in Wenen wonen. Tijdens het staatsbezoek van het Koninklijk paar aan Oostenrijk afgelopen zomer bezochten zij het beeld van Blotius in de Hofbibliotheek. Het contact met zijn familie ging Blotius uit de weg. Hij reageerde nooit op brieven met vragen uit De Lier.

Zijn neef Franco Petri Burgersdijk (1590-1635) studeerde in Leiden en werd daar hoogleraar filosofie. Volgens zijn biograaf, de humanist Meursius, was hij de leraar van de kinderen van Oldebarnevelt. Toen deze werd terechtgesteld, vluchtte Meursius naar Denemarken. Franco Petri Burgersdijk, werd de voornaamste oprichter van de Latijnse scholen in Holland en Westfriesland. Hij trouwde in Leiden met de burgemeestersdochter Ursula Verboom en ligt daar begraven in de Pieterskerk.

Oud Westlandprijs 2022 naar Ton Immerzeel

Voormalig conservator Ton Immerzeel is de winnaar van de Oud Westlandprijs 2022. Hij kreeg de prijs bestaande uit een oorkonde en een bedrag van € 500,- zaterdag 19 november in de Hervormde kerk in Ter Heijde uitgereikt door de voorzitter van de jury Adri van Vliet.

Ton Immerzeel heeft zich naast zijn betaalde functie bij het Westlands Museum jarenlang ingezet voor het behoud van het archeologisch erfgoed in het Westland. Ruim voor zijn aantreden bij het Westlands Museum begin jaren negentig was hij coördinator van de Werkgroep Oudheidkundig Bodemonderzoek en later actief bij de Archeologisch Werkgemeenschap Nederland (AWN). Hij was en is ook nu nog betrokken bij veel Westlandse opgravingen en archeologische waarnemingen.

Daarnaast heeft Ton buiten werktijd op vele andere manieren de Westlanders in  de breedste zin van het woord enthousiast gemaakt voor het verleden van hun streek.  Hij gaf lezingen, nam deel aan redacties, verzorgde eigen publicaties en verleende medewerking aan onderzoek van derden. Er waren dit jaar acht inzendingen voor de Oud-Westlandprijs, waarvan er drie werden genomineerd. De jury bestaande uit de voorzitter en drie leden koos unaniem voor Ton Immerzeel, die geschiedenis studeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na zijn afstuderen keerde hij terug naar het Westland en bouwde een oeuvre op in de streekhistorie.

foto: Willem de Bruijn