Home Joods Leven in het Westland De opheffing van de Joodse Gemeente Naaldwijk
De opheffing van de Joodse Gemeente Naaldwijk PDF Afdrukken E-mailadres
Nieuws - Joods leven in het Westland
Geschreven door L.J.M. van den Ende   
maandag 31 augustus 2015 20:16

Voorpublicatie van het boek 'Joods Leven In Het Westland'

(verschijningsdatum van het boek: 15 oktober 2015)

De Joodse synagoge in Naaldwijk

In het Joodsch Weekblad De Vrijdagavond van 13 juni 1924 staat een artikel van de hand van D.S. van Zuiden over de synagoge van de Nederlands Israëlitische Gemeente (NIG) van Naaldwijk. Van Zuiden was archivaris en lid van de NIG van Den Haag. Hij was dus goed ingevoerd in de geschiedenis van de Joden in deze regio. De aanleiding voor zijn artikel was de op handen zijnde opheffing van de Nederlands Israëlitische Gemeente Naaldwijk als zelfstandig kerkelijke gemeente in het Westland en de overdracht van de synagoge aan de burgerlijke gemeente Naaldwijk.

De synagoge, de kapel op het Heilige Geest Hofje, was in 1807 aangekocht en kende tientallen jaren van bloei als centraal ontmoetingspunt voor de Joodse gemeenschap in het Westland. Maar rond het begin van de twintigste eeuw komt aan die bloei een einde.

Van Zuiden beschrijft dat als volgt:

“Maar zooals met zoovele Joodsche gemeenten in ons land het geval is, werd door sterven en vooral door vertrek naar de grootere steden, waar betere bestaansmogelijkheden zijn, de Gemeente al kleiner en kleiner, totdat zelfs het vereischte tiental om kerkdienst te kunnen houden niet meer aanwezig was en men de Hooge Feestdagen zelfs verplicht was daartoe personen uit andere plaatsen te laten komen. Dat van een behoorlijk onderhoud der Synagoge door een dusdanig achteruitgegane Gemeente, die geen geldmiddelen heeft, geen sprake kon zijn, behoeft geen betoog. En toch is terwille van het bouwwerk, dat een monument is voor de geschiedenis van de bouwkunst en het Hofje daar op bijzonder fraaie wijze afsluit, instandhouding zeer gewenscht.

Op meerdere plaatsen vertoont het dak openingen, goten ontbreken en ook de muren behoeven voorziening. Een kist met de archieven onder het dak van de Synagoge geplaatst was geheel vergaan.”

(….)

De discussie over het onderbrengen van de NIG Naaldwijk bij de NIG Den Haag speelde al in 1922 en wellicht nog eerder. In ieder geval vindt er op 14 september 1923 een vergadering plaats van het kerkbestuur van Den Haag, waar ook de opperrabbijn bij aanwezig is en waar het kerkbestuur van Naaldwijk is vertegenwoordigd in de persoon van Gerard Wolf van Teijn. Deze geeft aan dat er wel het een en ander aan onderhoud is gepleegd, maar dat er nog veel moet gebeuren. In 1905 is de begraafplaats voorzien van een nieuw hek en is het metaheerhuisje gerestaureerd. Dit huisje zal nu moeten worden geverfd en worden voorzien van nieuwe ruiten. Het dak van de synagoge is belegd met asfalt, omdat een leienbedekking te duur bleek te zijn. Hij zou niet graag zien dat het gebouw naar de burgerlijke gemeente over zou gaan. (…)

Men vreest dat de kosten van het in stand houden van een synagoge in Naaldwijk voor Den Haag niet onaanzienlijk zullen zijn, vooral ook wat het (godsdienst)onderwijs betreft. Van Teijn geeft daarop aan dat de kinderen ook in Den Haag onderwijs zouden kunnen krijgen. Besloten wordt om eerst de zaak ter plekke te gaan bekijken, en wel op 30 september, alvorens een beslissing te nemen.Duidelijk is dat de Haagse NIG er weinig in ziet het gebouw met al zijn achterstallig onderhoud over te nemen en de synagogebestemming te handhaven. (…)

De zelfstandige Nederlands Israëlitische Gemeente Naaldwijk wordt uiteindelijk in 1925 opgeheven en toegevoegd aan de Nederlands Israëlitische Gemeente ‘s-Gravenhage. Die gemeente omvat dan, zoals wordt vastgelegd in de hernieuwde reglementen die datzelfde jaar worden uitgegeven, de Israëlieten die gevestigd zijn in de burgerlijke gemeenten ’s-Gravenhage, ’s-Gravenzande, De Lier, Loosduinen, Monster, Naaldwijk, Rijswijk, Stompwijk, Veur, Voorburg, Zegwaard en Zoetermeer en die niet behoren tot het Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap. (…)

De Joodse begraafplaats in NaaldwijkOp 21 mei 1926 vindt een overleg plaats tussen het Haagse kerkbestuur van de NIG en het college van B&W van Naaldwijk. Afgesproken wordt dat de voormalige synagoge om niet zal worden overgedragen aan de burgerlijke gemeente Naaldwijk en dat die de kosten van de overdracht voor zijn rekening neemt. Verder wil de opperrabbijn van het ressort ’s-Gravenhage als voorwaarde in de notariële acte van overdracht opgenomen zien dat de voormalige synagoge nimmer voor minder eervolle doeleinden zal worden gebruikt. Onder minder eervol verstaat men het gebruik als bioscoop, theater, café en dergelijke. Verder zou het kerkbestuur graag zien dat de burgerlijke gemeente Naaldwijk zich verplicht om de Israëlitische begraafplaats in Naaldwijk in goede staat van onderhoud te houden tot het tijdstip waarop zich in de toekomst eventueel weer een zelfstandig NIG op Naaldwijks grondgebied vestigt. Deze laatste bepaling, die in de praktijk waarschijnlijk zou neerkomen op eeuwigdurend onderhoud van de begraafplaats door de burgerlijke gemeente, stuit echter op bezwaren bij het College van B enW. Omdat men niet gemakkelijk tot overeenstemming kan komen, komt het overleg gedurende langere tijd stil te liggen. Pas in januari 1928 komt er weer schot in de zaak. Het kerkbestuur heeft de bemiddeling ingeroepen van een zekere dr. J. Kalf. Deze slaagt erin beide partijen op één lijn te krijgen. Op 20 februari 1928 laat het kerkbestuur aan B enW van Naaldwijk weten graag tot overeenstemming te komen en bereid te zijn tot de door Naaldwijk gewenste jaarlijkse vergoeding van 50 gulden voor het onderhoud van de begraafplaats. Verder wordt vastgelegd dat het NIG het recht heeft er overleden geloofsgenoten ter aarde te bestellen.

Het gebouw van de voormalige synagoge verkeert in die tijd in een deplorabele staat.

De eerde genoemde D.S. van Zuiden meldt hierover in het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 20 mei 1921 het volgende:

Zoo bezocht ik Naaldwijk, een eertijds flinke gemeente in het Westland, gesticht in 1794, die in het bezit is van een keurige Synagoge, die gevestigd is in een voormalige oude Kapel aan het eind van een hofje en door die gemeente in 1807 gekocht. Deze Synagoge is ongetwijfeld een historisch monument en dient in stand gehouden te worden. Evenwel was het dak op vele plaatsen geheel vergaan, waren de goten afgebroken en had het hemelwater vrij doorgang op verschillende plaatsen van de Synagoge, waarvan een gevolg was, dat de kist met archieven geheel vergaan en verrot is en de inhoud begraven zal moeten worden. Maar zoo gehecht aan hun Synagoge waren de overgebleven leden der gemeente toch, dat mij bijna gesmeekt werd, of ik niets tot instandhouding van de Synagoge kon doen, want de gemeente bezat zelf niet voldoende middelen. En ziet, een bezoek van mij bij den directeur van de commissie van Rijks Geschiedkundige Monumenten heeft tot gevolg, dat zijnerzijds een deskundige den toestand zal gaan opnemen en hij in principe geen bezwaar heeft de Synagoge te doen restaureeren en het vermoedelijk ook geschieden zal, wanneer aan bepaalde voorwaarden zal kunnen worden voldaan.

Onderhoud en restauratie zijn dus hard nodig. De totale restauratiekosten worden door de gemeente Naaldwijk geraamd op 7000 gulden. Het Rijk is, wellicht mede als gevolg van de interventie van Van Zuiden, bereid daarvan 3000 gulden voor zijn rekening te nemen. De resterende 4000 gulden moet door de gemeente Naaldwijk worden opgebracht. Op 14 juni 1928 gaat de gemeenteraad akkoord met het voorstel van het college van B en W om de synagoge in eigendom, beheer en onderhoud over te nemen op de hiervoor met het Haagse kerkbestuur overeengekomen voorwaarden en om 4000 gulden voor de restauratie ten laste van de gemeente te laten komen.

Het Haagse kerkbestuur moet in die periode nog wel opdraaien voor een openstaande rekening van een Naaldwijkse aannemer. Die heeft in maart 1923 werkzaamheden verricht aan de synagoge, maar daarvoor nog steeds geen betaling ontvangen. Voordat het kerkbestuur tot betaling van het openstaande bedrag van 99,40 gulden overgaat, informeert men eerst bij een voormalige bestuurder van de Naaldwijkse synagoge of die werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de vordering kan worden voldaan. Ook timmerman Kleer uit Naaldwijk zit nog op zijn geld te wachten. Hij heeft in 1922 onderhoud verricht aan de synagoge en heeft tot maart 1923 uitstel van betaling gegeven voor een bedrag van 175 gulden, omdat het kerkbestuur onvoldoende geld in kas had. Nu is het augustus, zo stelt hij, en is er door de aanbesteder, de heer Van Teijn, nog steeds niet betaald. Hij vraagt of hij zijn vordering bij de NIG Den Haag kan innen, omdat hij heeft gehoord dat men daar 500 gulden ter beschikking heeft gesteld om de debiteuren van de Naaldwijkse gemeente te betalen. Dat laatste klopt, althans dat was een voorstel van het kerkbestuur in Den Haag ten behoeve van een voorlopige restauratie van de synagoge in Naaldwijk in afwachting van een definitieve beslissing over de bestemming van dat gebouw. Hoe het ook zij, timmerman Kleer krijgt als antwoord dat de zaak tussen de kerkgemeente Naaldwijk en de kerkgemeente Den Haag nog niet geregeld is en dat men hem in deze aangelegenheid in geen geval van dienst kan zijn.

In 1926 ontvangt het kerkbestuur van Den Haag een aanmaning van de rentmeester van het Domaniale Oude Mannen & Vrouwenhuis te Naaldwijk om de zogeheten cijnsrente over 1925 te betalen voor het gebruik van grond, waarop de voormalige synagoge in Naaldwijk staat. Die was ooit bij de aankoop van de synagoge in 1807 vastgesteld op 1 gulden per jaar, maar dat bedrag is inmiddels verhoogd naar 4 gulden per jaar. Het kerkbestuur is bereid het bedrag over 1925 te voldoen, maar geeft wel aan dat men nog bezig is met onderzoek naar de voorgaande jaren. Terzelfder tijd gaat er een dringend verzoek naar de heer Van Leeuwen in Naaldwijk om per omgaande aan te geven of de voormalige NIG Naaldwijk gedurende talloze jaren een cijnsrente heeft betaald. Uit de correspondentie wordt niet helemaal duidelijk of de NIG Naaldwijk in het verleden in gebreke is gebleven of dat de NIG Den Haag onkundig is van het feit dat er jaarlijks een cijnsrente betaald moet worden en zich er bij Van Leeuwen alleen maar van de juistheid van deze verplichting wilde verzekeren.

Overigens is het kerkbestuur in Den Haag niet tevreden met de door Naaldwijk bij de opheffing als zelfstandige kerkgemeente overgelegde financiële administratie. Ze schrijven daarom Gerard Wolf van Teijn aan met de mededeling, dat men zich vooralsnog niet kan verenigen met het eindresultaat waartoe de becijferingen hebben geleid en men suggereert hem maar eens ter secretarie van de NIG Den Haag te verschijnen om een oplossing “te dezer zake te verkrijgen”. Van Teijn stuurt vervolgens een zekere heer Van der Kruk naar Den Haag om uitleg te geven, maar die blijkt niet in staat voldoende helderheid te verschaffen. Van Teijn krijgt daarom nogmaals het verzoek naar Den Haag te komen, of in ieder geval iemand te sturen die het gevoerde beheer voor zijn rekening kan nemen. Afloop onbekend, maar het zal er wel op neergekomen zijn dat het spreekwoord van toepassing is geweest: van een kale kip valt weinig te plukken. (…)

Inventaris Het voltallige Haagse kerkbestuur begeeft zich op dinsdag 4 augustus 1925 naar Naaldwijk om de inventaris van het synagogebouw in ogenschouw te nemen. Ze hebben hun komst een paar dagen van tevoren schriftelijk aangekondigd. In hun brief aan Levie van Leeuwen, slager in de Prins Hendrikstraat en één van de voormalige bestuurders, schrijven ze dat ze naar verwachting om kwart over zeven in de avond in Naaldwijk zullen zijn. Ze vragen of Van Leeuwen of zijn schoonzoon Gerard Wolf van Teijn op dat uur bij de synagoge aanwezig kan zijn om de gewenste inlichtingen te verstrekken. Ze schrikken nogal van wat ze aantreffen. In het verslag van hun bezoek schrijven ze dat de inventaris van de synagoge moet worden weggehaald, omdat deze anders verschrikkelijk verwaarloosd wordt. Ze stellen vast dat de meubilering van de synagoge weliswaar “niet zoo bijzonder schitterend” is, maar dat het toch zonde zou zijn om deze nog verder achteruit te laten gaan.

In het archief van de NIG Den Haag is een kladje aangetroffen zonder datum, en zonder briefhoofd of afzender, waarop de inventaris van de Naaldwijkse synagoge als volgt staat gespecificeerd:

• 2 grote koperen kandelaars

• 21 kleine koperen kandelaars

• 1 grote koperen kroon voor kaarslicht 3 verdiepingen

• 9 banken en 2 gewone banken

• Onleesbaar

• Almemor (= verhoogd platform in de synagoge, waar de voorzanger staat en de Thora wordt voorgelezen)

• Onleesbaar

• 1 koperen waterbak

• 1 tinnen kan met bak

• 4 groene gordijnen

• 1 blikken fonteintje

• 1 trap

• 1 ladder

• 1 klein lessenaartje

• 3 lopers

• 2 matjes

Er wordt snel werk van gemaakt om de inventaris naar Den Haag te krijgen. Half augustus wordt er iemand naar Naaldwijk gestuurd om de spullen op te halen. Hij krijgt een brief mee voor de heer Van Leeuwen met het verzoek om aan ‘brenger dezes’ de inventaris van de synagoge mee te geven. De lichtkroon die dienst heeft gedaan in de Naaldwijkse synagoge wordt geschonken aan het Museum voor Historische Kunstnijverheid in Den Haag, het tegenwoordige Gemeentemuseum.

 

Laatst aangepast op vrijdag 18 september 2015 14:50